>>Propaganda van de Daad [2022]

on

Onderstaande tekst is een recensie van ‘De wereld die er nooit kwam: Een waargebeurd verhaal van dromers, intriganten, anarchisten en geheime agenten’ door Alex Butterworth en ‘Hoe de wereld te veranderen: Reflections on Marx and Marxism’ door Eric Hobsbawm. Het boek van Alex Butterworth is vertaald in het Nederlands en helaas die van Eric Hobsbawn niet. Misschien dat de vertaalde recensie je kritisch maakt over Marx en je nieuwsgierig raakt naar het anarchisme.

‘Veel van Butterworths protagonisten, waaronder vooraanstaande anarchisten als Pjotr Kropotkin, zagen zichzelf als leden van revolutionair links, maar zagen geen scherpe scheidslijn tussen henzelf en degenen die Marx’ invloed bijzonder krachtig vonden – tenminste niet totdat socialisten in de jaren 1890 in landen als Groot-Brittannië en Duitsland een parlementaire weg naar de macht konden bewandelen. Kunnen we verwachten dat de veelgeroemde opleving in Marx studies nog lang zal aanhouden? Het lijkt onwaarschijnlijk. Zoals Hobsbawm zelf opmerkt, is de waarheid dat het kapitalisme zich weliswaar nog steeds in een crisis bevindt, maar dat het niet duidelijk zijn eigen doodgravers voortbrengt, wat Marx dacht dat zou gebeuren met de groei van de arbeidersklasse.’

Is het anarchisme, en niet het marxisme, de meest relevante linkse traditie?

De financiële ineenstorting van 2008 had ten minste één zilveren randje: Te midden van de faillissementen en anti-bank protesten, stegen de aandelen in Karl Marx sterk. De laatste twee jaar is er een miniboom van boeken die aantonen waarom Marx, ondanks de mislukking van het communisme, onmisbaar blijft om de tekortkomingen van het kapitalisme te begrijpen. Men kan zich afvragen of dit revivalisme niet wat overdreven is. Per slot van rekening waren de haastige waarschuwingen van de laatste tijd over de intrinsieke instabiliteit van het kapitalisme in wezen een gevolg van het feit dat wij ons hebben laten meeslepen door de zelfgenoegzame dwaasheid van wat doorgaat voor de hedendaagse mainstream economie. En dit betekent niet dat Marx het enige, of zelfs het beste, alternatief is. Maar een groot schrijver loont zich altijd om aandachtig te lezen. En als we Marx en zijn geschriften niet langer beschouwen als gidsen voor de eeuwige economische waarheid, maar ze in hun tijd en plaats plaatsen, komen er andere lessen voor onze tijd naar voren.

In Alex Butterworth’s The World That Never Was worden de marxisten op een zijspoor gezet ten gunste van hun kleurrijkere – en een tijdlang succesvollere – anarchistische medestanders. Vóór Butterworths boek waren er al enkele uitstekende geschiedenissen van het anarchisme verschenen, maar geen enkele heeft zo doeltreffend aangetoond hoe cruciaal de decennia tussen 1870 en 1914 waren voor onze moderne opvattingen over links activisme en terreur – en voor contrarevolutionaire repressie. In Butterworths verslag is de kortstondige Parijse Commune van 1871 het echte begin van het verhaal. Het was toen, terwijl Parijs belegerd werd door het Duitse leger, dat een radicale raad kortstondig de stad bestuurde met een programma van radicale politieke en sociale hervormingen. Vóór de Commune was Marx (1818-1883) onbekend, en dat gold ook voor de Internationale Arbeidersvereniging die hij feitelijk leidde en die was opgericht om het activisme van de arbeidersklasse op het hele continent te coördineren. Er was per definitie nog geen marxisme, of iets dat in de volksmond bekend stond als anarchisme – hoewel de Franse politicus Pierre-Joseph Proudhon zich al als een van de eersten publiekelijk tot anarchist had verklaard, en figuren als de legendarische Russische revolutionair Mikhail Bakunin actief waren. Vóór de jaren 1870 was de staatspolitie tegen revolutionairen – net als de politie in het algemeen – slecht uitgerust en slecht gecoördineerd.

De gebeurtenissen van 1871 deden dus drie dingen. Ze maakten Marx beroemd – een van de vele historische ironieën, gezien het feit dat hij diep ambivalent was geweest over de Commune voordat deze instortte (zijn klassieke essay over het onderwerp verscheen pas na de ondergang) – en maakten van de Internationale een bourgeois boeman. Na de nederlaag van de Commune door toedoen van Franse collega’s gaf de minister van Buitenlandse Zaken de Internationale de schuld van het hele voorval en spoorde hij andere landen aan te helpen bij de onderdrukking van de socialistische organisatie, waarmee hij voor het eerst bij de regeringen het idee opriep van een internationaal gecoördineerde revolutionaire samenzwering. Ten tweede gaf de herinnering aan de Commune anarchisten een reden om zich rond te scharen en een model voor toekomstige actie dat lokaal en bottom-up was, niet afhankelijk van de verovering van staatsinstellingen, zoals Marx’ meer evolutionaire benadering leek voor te schrijven. Ten derde luidden anarchisten het tijdperk in van internationaal gecoördineerd antiterrorisme, toen Russische, Franse en Engelse geheime politiemensen contacten legden, hun agenten undercover stuurden, en vaak uiterst dubieuze methoden ontwikkelden om de dreiging van revolutionair links te bestrijden. Tot de minst smakelijke methoden behoorden lastercampagnes, schuld door associatie, het aanwakkeren van antisemitisme, en het gebruik van provocateurs.

Wat was anarchisme precies, en waarom zou het vandaag de dag voor ons van belang zijn – misschien wel meer dan het marxisme zelf? Achteraf gezien zijn enkele basisonderscheidingen relevant. Alle revolutionairen hadden een hekel aan de staat in de vorm waarin zij die aantroffen; sommigen erkenden niettemin de noodzaak om er doorheen te werken om het utopia te bereiken dat zij voor ogen hadden. Alleen de volgelingen van Bakoenin, Proudhon, en degenen die met hen dachten, verzetten zich principieel tegen iedere vorm van engagement met de staat. Dat gezegd hebbende, vijandigheid tegenover de staat was op zichzelf niet genoeg voor coherentie. Sommige anarchisten waren voorstander van de zelfmobilisatie van arbeiders of boeren in hun eigen vakbonden, gilden of coöperaties; anderen zochten in plaats daarvan naar het vormen van kleine samenzweerderige cellen om moorden en bomaanslagen uit te voeren die de bestaande instellingen zouden doen instorten; en sommigen gingen nog een stap verder in hun individualisme en omarmden een zeer esthetische filosofie van “propaganda door de daad”- daden van terreur als zelfexpressie.

Als anarchisten dus onderling verdeeld waren – in toenemende mate over de kwestie van geweld – dan maakten zij ook deel uit van een breder revolutionair links en niet zozeer van een afzonderlijke beweging. Zo ontstond er zelfs binnen de gelederen van de International Working Men’s Association verdeeldheid tussen marxisten en Bakoeninisten over de wijze van organisatie, de noodzaak van centralisatie, en de rol van geweld bij het versnellen van de revolutie. Dit schisma was duidelijk in zijn implicaties, maar er kan te veel in worden gelezen. Veel van Butterworths protagonisten, waaronder vooraanstaande anarchisten als Pjotr Kropotkin, zagen zichzelf als leden van revolutionair links, maar zagen geen scherpe scheidslijn tussen henzelf en degenen die Marx’ invloed bijzonder krachtig vonden – tenminste niet totdat socialisten in de jaren 1890 in landen als Groot-Brittannië en Duitsland een parlementaire weg naar de macht konden bewandelen. Marx was nog steeds niet zo’n belangrijke inspiratiebron als anderen – Proudhon in Frankrijk, Darwin in Rusland en het Midden-Oosten. De term anarchist kwam pas echt van de grond toen conservatieve journalisten hem in de jaren 1880 oppakten als een algemeen gebruikt pejoratief.

Bakoenin in het bijzonder stond voor de idealisering van de gemeenschap – vooral onder arbeiders en boeren – en een bereidheid tot opstand en geweld. Marx kon weloverwogen lijken, bloedeloos, overintellectueel, en bijna fataal verstild. Veel anarchisten deelden zijn bereidheid om een beroep te doen op de autoriteit van de wetenschap om zijn bevindingen te staven, en om de wetenschap te gebruiken om zijn ethische en politieke doelen te ondersteunen – maar deze affiniteit maakte hen niet noodzakelijk warm voor hem. Zowel Kropotkin als Élisée Reclus, bijvoorbeeld, waren geografen van enige faam, die Marx’ wetenschappelijke pretenties minachtten, maar zelf de wetenschap zagen als een bewijs van de essentiële eenheid van de mens.

Kropotkin en Reclus, en anderen zoals zij, stonden ook kritisch tegenover Marx’ bewering dat hij de enige echte internationalist was, vooral omdat zij zelf internationalisten waren. Hoe zouden ze dat niet kunnen zijn, als zowel hun opvoeding als hun ervaring hen in dit standpunt dwongen? Hun studies, maar nog meer hun politiek activisme, hadden hen ertoe gebracht te vertrouwen op netwerken van steun, op verafgelegen gemeenschappen van gelijkgezinden. Het leven van de politieke radicaal aan het eind van de negentiende eeuw was er steeds meer een van vervolging, vlucht en afhankelijkheid van de goedheid van vreemden. Na 1871 verbande de regering van de nieuwe Franse Republiek de meeste communards die de bloedige moordpartijen die hun beweging verpletterden, hadden overleefd, naar Nieuw-Caledonië. Andere overlevende communards kozen ervoor om zelf in ballingschap te gaan, door naar het buitenland te vluchten. De regering van Bismarck in Duitsland verdreef ondertussen gevluchte Duitse arbeidersleiders uit Londen; zij trokken vervolgens verder naar Chicago en Pittsburgh, waar zij een leidende rol speelden bij de oprichting van utopische communes en arbeidsmobilisaties. Na te hebben gevochten voor Slavische onafhankelijkheid tegen de Ottomanen op de Balkan, en de chef van de politie van Sint Petersburg te hebben vermoord, vluchtte de leidende Russische revolutionair Sergej Kravtsjinski naar Engeland en belandde, zoals Kropotkin zou doen, in burgerlijke achtenswaardigheid in de Londense buitenwijken. Sergej Degajev, misschien wel de opmerkelijkste Rus van allemaal, was een dubbelagent van de politie voordat hij door zijn revolutionaire kameraden werd omgedraaid, gedwongen werd zijn vroegere betaalmeester te doden, en gedwongen werd Europa te ontvluchten. Hij eindigde als hoogleraar wiskunde aan de Universiteit van South Dakota en stichtend decaan van het ingenieurscollege onder de naam Alexander Pell; de ontvangers van de Alexander Pell-prijs van de universiteit staan tot op de dag van vandaag bij hem in het krijt onder zijn pseudoniem.

Zoals uit deze verhalen blijkt, kwam het internationalisme van de revolutionaire terroristen grotendeels voort uit onderdrukking en vervolging en niet uit iets dat men wilde of uitwerkte; het was, met andere woorden, eerder een uitdrukking van hun machteloosheid en zelfs hun mislukking dan een strategie. Telkens wanneer zij daadwerkelijk bijeenkwamen voor een van hun internationale congressen – gewoonlijk boven een of andere louche Londense pub of Parijse club – werd hun onvermogen om ergens aan mee te werken onontkoombaar duidelijk. In de woorden van één van hen: “We zijn anarchisten omdat we het niet eens kunnen worden.” Dit gebrek aan interne samenhang of centralisatie was geen toeval. Het was een keuze, en sommige van de redenen erachter waren goede. Helderder denkers zoals Kropotkin zagen een meer gecentraliseerd apparaat misschien als een middel om de heethoofden in bedwang te houden, maar de extreme elementen vreesden terecht dat vernieuwingen zoals een voorgesteld centraal informatiebureau het werk van de politie alleen maar gemakkelijker zou maken.

Dat brengt ons bij de politie zelf. Butterworth is minstens zo geïnteresseerd – en interessant – in dit parallelle verhaal van internationale politiecoördinatie en repressie van revolutionaire activiteiten als in het verhaal van de anarchisten; hij vertelt het goed en melkt het uit voor al zijn hedendaagse resonanties en dan nog wat. Het harde optreden in Rusland dat volgde op Kravchinsky’s succesvolle moord op het hoofd van de politie in Sint Petersburg droeg bij aan de opkomst van “de grootste spionnenmeester van zijn tijd,” Pjotr Rachkovski. Rachkovsky, de antiheld en het middelpunt van Butterworths meeslepende verslag, professionaliseerde het antiterroristische politiewerk, vooral toen hij in 1882 bij de Okhrana was gerekruteerd en zich naar Parijs liet sturen. Het midden van de jaren 1880 waren zijn hoogtijdagen. Zijn samenwerking met de Franse Sûreté droeg bij tot de heroriëntering van de Europese diplomatie door de toenadering tussen het tsaristische Rusland en het republikeinse Frankrijk te versterken: Het opsporen van linkse revolutionairen was een zaak die de Fransen en de Russen konden delen. Toen Kropotkin en Kravchinsky beiden verbannen waren naar Londen – nog steeds het asielcentrum voor Europese revolutionairen – breidde hij zijn contacten uit over het kanaal en sloot zich aan bij Scotland Yard, net toen Jack the Ripper zijn bloedige spoor door Oost-Londen aan het trekken was.

Butterworth plaagt ons met de suggestie dat de moorden op de Ripper misschien het werk waren van één van Rachkovsky’s agenten – maar de waarheid over de agenten is verbazingwekkend genoeg, en Rachkovsky had genoeg bloed aan zijn handen. Agenten provocateurs waren al eerder gebruikt om revolutionaire groeperingen binnen te dringen, maar niemand anders ging zo ver in het gebruik ervan of ging zo dicht bij de wind varen. Samen met zijn al even gewetenloze Britse tegenhanger William Melville zag Rachkovsky het als onderdeel van zijn taak om revolutionairen in de val te lokken door hen aan te zetten tot terreurdaden die ze anders misschien niet zouden hebben gepleegd. Er waren bomaanslagen met Rachkovsky’s vingerafdrukken overal in Parijs, Walsall, en Londen. Zijn steragent ging zich niet langer voordoen als revolutionairen, maar nam in Luik een nieuwe identiteit aan als Baron Ernest Ungern-Sternberg (dankzij een gestolen en vervalst aristocratisch paspoort, vermoedelijk in opdracht van Rachkovsky), onder welke naam hij een bomaanslag op Belgische bodem schijnt te hebben georkestreerd.

Butterworth ziet de parallellen tussen deze fundamentele Victoriaanse oorlog tegen de terreur en de onze. Het verhaal van halfgestoorde chefs van de geheime politie die hun wetteloze gang gaan terwijl ze hun parlementaire betaalmeesters in het ongewisse laten, geeft te denken. En wat te denken van de schijnbare gretigheid van de Britse politie, zelfs op dit late tijdstip, om de hele zaak in de doofpot te stoppen? Dossiers uit die tijd die gesloten blijven zouden nu open moeten zijn. Het lijkt erop dat iemand in Whitehall werkelijk gelooft dat er een verband bestaat tussen de gebeurtenissen van de vroege jaren 1890 en die van een eeuw later, of op zijn minst verontrustende parallellen van het soort dat Butterworth op verontrustende wijze belicht. Misschien is de heersende angst in het officiële leven dat de onthulling van de bereidheid van de Special Branch om de ogen van zijn politieke meesters te bedriegen, de laatst overgebleven onschuldigen zal waarschuwen voor wat geheime politieagenten kunnen doen; misschien zijn de bewaarders van Britse staatsgeheimen bang dat we net iets te veel sympathie gaan voelen voor de “terroristen” uit het verleden, of dat de onthullingen van bedriegerij de zuivere morele dichotomieën van onze eigen oorlog tegen het terrorisme zullen vertroebelen.

Hoe dan ook, Rachkovsky’s eigen persoonlijke contacten waren slechts het begin. In 1898 vond in Rome de Anti-Anarchistische Conferentie plaats (een soort voorloper van de pogingen van de VN om het beleid van de oorlog tegen de terreur te internationaliseren), en zes jaar later stelden zijn collega’s een protocol op voor een internationale oorlog tegen het anarchisme. Er was dus meer dan één soort internationalisme in het fin de siècle, en de antilinkse tak bleek even effectief te zijn als – en langer te bestaan dan – de tak die hij bestreed. Uit deze eerste contacten groeide namelijk de in het interbellum in Wenen gevestigde Internationale Criminele Politie Commissie, die in de jaren twintig snel veranderde in een anti-bolsjewistisch coördinatiemechanisme voor nationale politieke politiediensten, en die, nadat zij van haar nazi-associaties was ontdaan (Heydrich nam de ICPC over na de Anschluss), uitgroeide tot Interpol en tot op de dag van vandaag nog steeds een belangrijke rol speelt.

Bij het reconstrueren van de gevechten over het anarchistische spook, weeft Butterworth een rijk gedetailleerd – soms te gedetailleerd – tapijtwerk. Het is niet altijd gemakkelijk om de reizen van de verschillende revolutionairen te volgen – vooral omdat hij geen organisatorisch kader heeft om zijn onderzoek op te baseren – maar het volgen van de politie is vaak eenvoudiger. Er zijn een paar fundamentele fouten – Giuseppe Mazzini, bijvoorbeeld, zou zich in zijn graf hebben omgedraaid voordat hij zich een socialist zou laten noemen – maar dit zijn kleine onvolkomenheden. Butterworths internationale perspectief maakt het mogelijk de verbanden te zien tussen de Duitse ’48ers, de Amerikaanse arbeidersbeweging en de Russische populisten. En hij vertelt een heel goed verhaal. Hij is vooral sterk in de culturele, artistieke en literaire figuren, van Jules Verne tot William Morris, die helpen aantonen dat het verhaal van de vreedzame en bloedige revolutionaire dromen van het fin de siècle diep in de toenmalige maatschappij doordrong en niet voorbehouden was aan een klein aantal zeer gepolitiseerde individuen. Als dit een verhaal is van het anarchisme in onze tijd – met zijn nadruk op terreur en contraterreur – dan is dat niet minder erg.

Voor een analyse op lange termijn wend je je tot de ervaren Engelse geleerde Eric Hobsbawm, die in How to Change the World even helder en scherp is als altijd. Hoewel veel van de commentaren rond dit boek het hebben besproken als een oproep om Marx weer serieus te nemen, vat ik het anders op. Wat Hobsbawm ons vooral geeft in deze verzameling essays (waarvan de meeste al eerder zijn gepubliceerd, hoewel niet noodzakelijkerwijs in het Engels) is de geschiedenis van hoe Marx sinds de jaren 1870 is gelezen, en de resultaten zijn nogal verrassend. Er was een zeer trage start, maar zelfs nadat de belangstelling voor hem sterk toenam – dankzij de inspanningen van zijn vriend Friedrich Engels, de opkomst van een marxistisch-socialistische partij in Duitsland, en vervolgens natuurlijk de Russische Revolutie – bleef de betrokkenheid van het publiek bij Marx merkwaardig episodisch en beperkt tot slechts een paar van zijn geïsoleerd gelezen teksten.

De opkomst van het communisme in de USSR stimuleerde de intellectuele generatie van het interbellum – die van Jacobsbawm – om Marx serieus te nemen, maar de groeiende desillusie over het stalinisme deed ook Marx’ aanzien dalen. En toen in het Westen de echte hausse in de studie van het marxisme begon, in de jaren zestig, was die van een heel vreemde soort – anti-sovjet, en inderdaad vaak anti-communistisch vanuit een nieuw-links gezichtspunt, gebaseerd op zwaar getheoretiseerde lezingen van specifieke teksten, vaak gericht op de vroege metafysica en steeds verder verwijderd van alles wat herkenbaar is als mainstream economie, die haar eigen vrolijke weg ging in de richting van kwantificering en rationele keuze. Door de dekolonisatie leek het marxisme belangrijk, maar veel van wat doorging voor marxistische analyse was in feite slechts progressivistisch in de meest losse zin van het woord. Als zodanig was het evenzeer verbonden met het nationalisme van een Mazzini of de cultus van geweld van een Georges Sorel of een Bakoenin als met de auteur van Het Kapitaal. Wat de jaren vanaf het begin van de jaren tachtig betreft, laat Hobsbawm zien hoe snel elke echte belangstelling voor Marx vervaagde, tot het punt waarop in 2005 nauwelijks nog iemand de voltooiing bejubelde van wat toch een epische wetenschappelijke prestatie was – de vijftig delen van het verzameld werk.

En vandaag? Kunnen we verwachten dat de veelgeroemde opleving in Marx studies nog lang zal aanhouden? Het lijkt onwaarschijnlijk. Zoals Hobsbawm zelf opmerkt, is de waarheid dat het kapitalisme zich weliswaar nog steeds in een crisis bevindt, maar dat het niet duidelijk zijn eigen doodgravers voortbrengt, wat Marx dacht dat zou gebeuren met de groei van de arbeidersklasse. De vakbondsbevolking is geslonken, en waar sterke kernkiezers voor communistische partijen in democratieën overleven, zoals bijvoorbeeld in Griekenland, is dat niet omdat de arbeidersklasse daar sterk is, maar veeleer omdat de mensen het communisme associëren met verzet in oorlogstijd en de herinnering aan een nobele zaak die zij niet de rug willen toekeren. Ondertussen ziet een jongere generatie die nu de universiteiten doorloopt, politiek als een zaak van mobilisatie voor één enkel onderwerp en bekijkt zij het hele politieke proces met argusogen. Deze generatie is universalistisch, maar ook antistatistisch en anti-institutioneel, en dus ook antipolitiek, hoewel ze zichzelf niet als zodanig beschouwt. Het resultaat is een constante kritiek, maar weinig effectieve mobilisatie. Als we denken aan de slachtoffers van de ineenstorting van 2008, dan zien we dat dit een verhaal is van politiek falen, omdat ze er niet in zijn geslaagd de ideologische hegemonie van de marktwaarden aan te vechten. Zelfs nu stijgen de winsten van hedgefondsen en de bonussen van banken, en stijgt het goud, terwijl de staatsuitgaven in de Verenigde Staten met ongekende bezuinigingen worden geconfronteerd.

Hobsbawm herinnert ons eraan dat in de jaren zestig het marxisme populair werd omdat het “een kritiek op de moderne westerse samenleving als zodanig” leek te leveren. Ondanks alle recente oproepen om terug te keren naar Marx, is het onwaarschijnlijk dat hij die rol opnieuw zal spelen. De meest voorkomende kritiek op de mainstream economie – althans in de Verenigde Staten en West-Europa – is niet marxistisch maar keynesiaans. De zeer goede marxistische commentatoren die wel in Latijns-Amerika of Zuid-Europa schrijven – bijvoorbeeld over de huidige staatsschuldencrisis in Europa – worden hier nauwelijks opgemerkt.

Men moet zich afvragen of het in feite het anarchisme en niet het marxisme is dat het duidelijkst tot onze huidige toestand spreekt. Het is niet alleen zo dat Marx’ eigenlijke verklaring voor de oorzaken van de kapitalistische crisis altijd een onderbelichte theorie was en in elk geval verwees naar een ouder soort economie die niet de complexe en paniek zaaiende financiële mechanismen had die nu gemeengoed zijn. Bovenal wordt de aantrekkelijkheid van Marx’ denken als model in de ogen van veel natuurlijke critici van het huidige kapitalisme fataal aangetast door zijn gehechtheid aan organisatie en aan rigide partijdiscipline. De combinatie van individueel engagement, ethisch universalisme en diep wantrouwen tegenover de staat als politieke actor maakt het anarchisme tot de ideologie van onze tijd. We zijn nu allemaal anarchisten.

Mark Mazower doceert geschiedenis aan Columbia University. Hij heeft vele boeken geschreven over het moderne Griekenland, de Balkan, en het twintigste-eeuwse Europa.

https://www.bookforum.com/print/1802/is-anarchism-not-marxism-the-more-relevant-left-tradition-7799

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s